Een land vol spiegeltjes, dat is Noorwegen. Of dat lijkt het toch als ik door het vliegtuigraampje zie hoe het oneindige groen overal doorboord wordt door kwikzilveren meertjes. Mijn indruk wordt versterkt wanneer we laag genoeg gaan vliegen om in het water reflecties te zien van de gekleurde avondlucht. Wat ben ik blij dat ik besloten heb Bergen voorbij te steken en eerst naar Oslo te vliegen, zodat ik veel langer kan genieten van dit prachtzicht. En wat ben ik blij dat ik een vlucht geboekt heb die pas aankomt tegen zonsondergang. Of ja, “ondergang”…
Wanneer ik land in Oslo staat de maan hoog aan de nog klaarlichte hemel. Na een veel te dure (welkom in Noorwegen) trip kom ik in het stadscentrum, waar het niet enkel vooravond lijkt door de heldere lucht, maar ook door de drukte. Het nachtleven in Oslo komt pas na 23u op gang en laat zich duidelijk niet beïnvloeden door het feit dat iedereen de volgende dag moet werken.
Een aantal wel erg gastvrije Noren komen me meteen vragen of ik niet mee iets ga drinken of deel wil nemen aan het Vorspiel, een blijkbaar typisch Scandinavisch gebruik, dat inhoudt dat iedereen zich thuis al zwaar bezat alvorens uit te gaan. Een creatieve manier van omgaan met de hoge alcoholprijzen en het rookverbod, zeg maar. Na het avondje stappen, volgt traditioneel gezien nog Nachspiel. En takeaway junkfood uit de schijnbaar nooit gesloten Noorse keten Deli de Luca, zoals ik later tijdens mijn reis nog zal ontdekken. “Laagje leggen, heel belangrijk”, luidt de volkswijsheid die ook mijn Noorse gastheer in pacht heeft.
Ik pas voorlopig nog, wetende dat de “jetlag” die ik niet heb het perfecte excuus is om het toch één avondje rustig aan te mogen doen. Bovendien wacht er een knappe Viking op me en is dat geen belangrijker onderdeel van de Noorse cultuur dan dol drinkgelag?
De eerste dag in een vreemde stad betekent meestal: op naar de toeristische dienst. Minstens om een plattegrondje van de stad te halen en een praatje van vijf minuutjes te slaan, waarvan je vaak meer leert dan van een uur de plattegrond te bestuderen. Vol goede moed stap ik dus de grote toren aan het station binnen, om er meteen weer naar buiten te vluchten. Tip: ganooit naar de toeristische dienst aan het station: het is er meer drummen dan de Meir op de eerste dag van de solden! Gelukkig is er nog een informatiekantoor aan het Nobelprijsinstituut; het goed bewaarde geheim van Oslo, zo merk ik algauw. In dat kantoor is geen kat te bespeuren en krijgt eender wie die binnenkomt dus uitgebreide en persoonlijke hulp op elk moment van de dag. Bijvoorbeeld uitleg over wat het woord “gamle” betekent, wat wel honderd keer op kaarten van Noorwegen staat en voorkomt in de helft van de namen in toeristengidsen. Logisch, zo blijkt, want gamle is simpelweg het Noorse woord voor “oud”.
Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat een plattegrond van Oslo niet echt nodig is voor wie een weekendje de toerist wilt uithangen. Zoals in de meeste steden, zijn bijna alle toeristische attracties rond één straat gecentreerd (in dit geval de Karl Johans Gate), inclusief musea en de bekendste cafés en restaurantjes. Sla een zijstraat in en volg de zeemeeuwen rechtdoor richting water en je komt aan de haven, waar je meteen de overige bezienswaardigheden vindt. Moeilijk is het niet. Moeilijker is het om te beslissen of ik eerst de stad gewoon eens zou doorlopen of al meteen zou beginnen alles uitgebreid te bezoeken. Oslo is zo klein en je bent zo snel door alles heen, dat ik besluit om maar meteen zwaar de toeristische toer op te gaan en overal halt te houden voor een bezoekje en een uitgebreide fotosessie. Mijn innerlijke Japanner slaat nu eenmaal op hol telkens ik kastelen, kerken, standbeelden, vergezichten en rariteiten zie. Het resultaat van de eerste dag kun je alvast “bewonderen” in mijn fotomap Noorwegen I: aankomst in Oslo. Uitleg bij wat je ziet, volgt in mijn volgende notitie. Ik wil jullie niet doodslaan met ellenlange verhalen 😉
Het eerste wat je tegenkomt als je van het station van Oslo de Karl Johans Gate inslaat, is de Domkirke met de omliggende, bijpassende gebouwen en grasveldjes. Wie nog nooit binnengeweest is in een Scandinavische kerk, moet daar zeker eens langsgaan. Alles is er gemaakt van hout, al zou je dat niet vermoeden als je naar de kleuren kijkt. Het palet doet me denken aan protestantse kerken, zeker niet aan de bruintinten die je in ons land terugvindt. Ook het marmer en het goudwerk zijn niets meer dan fraai bewerkt en geschilderd hout. De dramatische stenen beelden die wij zo goed kennen, worden hier vervangen door simplistische, geschilderde, houten poppetjes. Samen met de luchtige kleuren, het vele licht dat binnenvalt en de felle mozaïeken die het hele plafond bedekken, wekken ze de indruk van een speelgoedkerkje. Ik bekijk een driedimensionaal tafereel in het tabernakel, dat eruit ziet als een gestileerde poppenkast, wanneer ik luide voetstappen achter me hoor. De schoenzolen van een groepje bezoekers klinken meedogenloos hard op de houten vloer. Tijd om ervandoor te gaan.
Laverend door de massa die samentroept aan toeristenwinkeltjes en de wildkamperende marktkramers bereik ik weer de hoofdstraat, om er een paar (honderd? minder?) meter verder alweer te stoppen aan het parlement. Parlementsgebouwen zijn in de meeste hoofdsteden pareltjes van de architectuur. Het Stortinget, zoals het in het Noors heet, is dat niet bepaald. Je zou er gewoon voorbij kunnen lopen. Opvallender is het plein dat ervoor ligt, met daarbij een grote fontein en stadsvijver, omringd door groen . Aan de overkant van het plein ligt het aanzienlijk grotere Nationale Theater. Aangezien het Parlementsgebouw eeuwig gesloten blijkt (hoewel het vier maal per dag te bezoeken zou zijn), plof ik neer op het pleintje en observeer de plaatselijke bevolking. Blijkbaar is het pleintje te midden van de hoofdstraat van de stad een populaire hangplaats voor jong en oud. Nieuwsgierigheid en een verrassend hard brandende zon jagen me al snel naar de schaduwrijke rand van de fontein. Daar spelen blonde, Noorse kindjes poedelnaakt in het water. Vooral het jongste jongetje (ik schat hem 7 jaar oud) amuseert zich rot. Hij waadt door het water naar de overkant van de vijver, klimt eruit en rent joelend door de mensen heen, terug naar zijn mama. Niemand lijkt ook maar op te kijken van het tafereeltje, wat me doet vermoeden dat dit geen unicum is.
Ik kuier verder langs het Nationaal Theater van Oslo en kijk of er iets interessants speelt terwijl ik hier verblijf. Mijn Noorse gastheer heeft me verteld dat opera hier best populair is, ook bij jongere mensen. Niks naar mijn smaak. Ik kijk verder rond. Voor me ligt meer groen, wat toch opvallend is voor een van de grootste hoofdsteden van Europa. Het verbaast me dan ook niet te lezen dat Oslo de hoofdstad is met zowat het meeste groen op heel ons continent. Alleen al het centraalste hartje van de stad bestaat uit acht vierkante kilometer park. Naast het volgende deel groene long ligt de Karl Johans Gate naar me te lonken. De rest van de straat lijkt enkel nog te bestaan uit tavernes, dus ik besluit er het beste van te maken en Ben & Jerry’s binnen te lopen. Ja, dé Ben & Jerry’s. De ijsgigant heeft hier een salon waar elke vrouw waarschijnlijk permanent zou willen verblijven. Drie overheerlijke bolletjes later dwing ik mezelf naar buiten en loop verder door de lange, lange straat die steeds meer omhoog begint te gaan. Het einde van de Karl Johans Gate loopt namelijk uit in een heuvel, waarvan het koninklijk paleis op de top staat.
In Noorwegen klim je tijdens het wandelen vaak heuvels op zonder dat je er zelfs maar erg in hebt. Dit is niet zo’n moment. Eens boven kijk ik over mijn schouder naar een stad die heel, heel ver weg lijkt te liggen. Even bekomen op de vele trappen die het paleis nog van de straat scheiden en dan ga ik het koninklijk domein verkennen. Het paleis bestaat zo mogelijk uit nog meer hout dan de kerk. Het lijkt wel een zwaar buitenproportionele cottage, maar dan in een neoclassicistische stijl, waardoor het gebruik van hout nog harder opvalt. Het obees tuinhuisje is gratis te bezoeken, dus ik wandel voorbij de zwaar gewapende bewakers naar binnen. Terwijl koninklijke guards in de meeste landen pronken met een glimmend zwaard, dragen deze afstammelingen van de Vikings heuse geweren. Binnen mogen geen foto’s gemaakt worden, maar dat hoeft ook niet echt. Het interieur is vergelijkbaar met dat van een Westers paleis en valt enkel op door zijn middelmatigheid. Dan is het omliggende park meer de moeite waard. Ik blijf er rondhangen tot ’s avonds laat in de hoop de zonsondergang te kunnen bekijken vanuit het hoge park, maar rond elven, na uren elk groen plekje en prieeltje verkend te hebben met mijn gastheer, wint de honger het en zak ik af naar de hoofdstraat op zoek naar een restaurantje.
















