Quizvraag: wat doen een IJslandse jongen en een IJslands meisje op hun eerste date? Antwoord: via een app op hun smartphone nagaan in hoeverre ze met elkaar verwant zijn. Dat heb je dus als je in het dunstbevolkte land van Europa woont, waar de inwoners met hun voornaam in het telefoonboek staan.
IJslanders hebben namelijk geen achternaam, maar gebruiken de voornaam van de vader, gevolgd door het achtervoegsel ‘son’ voor een zoon en ‘dottir’ voor een dochter. Dat was al zo toen in 874 de eerste Noorse kolonist Ingólfur Arnarson er landde en Reykjavik stichtte, wat ‘Rookbaai’ betekent. Niet slecht gevonden, want geologisch gezien is IJsland het jongste land van de wereld. Alles pruttelt, kolkt en suddert er; met z’n tweehonderd vulkanen, warmwaterbronnen en lavavelden lijkt het één groot openluchtlaboratorium.

Blue Lagoon
De hoofdstad is een vat vol tegenstrijdigheden: ultramoderne constructies staan er naast oudere golfplaten huizen met een rood dak. Blikvanger zijn de betonnen kathedraal Hallgrimskirkja, geïnspireerd door de basaltzuilen in het IJslandse landschap, en pal naast de aanlegplaats van de M/S Astoria: het congres-en concertcentrum Harpa, een gedurfd ontwerp met een caleidoscoop van 10.000 glasfacetten. Geniaal volgens fans, megalomaan volgens kwatongen, als een homecinema in een boerenschuur. Reykjavik heeft iets onafs, de sfeer is tegelijk provinciaal en avant-garde, met een bruisende jeugdcultuur. Zowat iedere barman speelt in een undergroundband of is een filmmaker in spe. De financiële crises van 2008 hakte er diep in, maar ondanks de enorme schuldenlast, lijkt de economie zich goed te herstellen.
Mooi meegenomen dat de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen het land onafhankelijk maakt qua energie. Een van de leukere manieren om te genieten van de aardwarmte, is jezelf en elkaar insmeren met lichtblauwe geneeskrachtige modder en dan zalig dobberen in het melkachtige water (38°C) van de Blue Lagoon, te midden van een maanlandschap van lava. De surrealistische kleur is toe te schrijven aan silica en algen. Voor wie de bekendste thermen van IJsland toch net te toeristisch zijn, biedt het land een oneindigheid aan kleine poelen om tijdens een lange wandeling in de gure wind heerlijk in weg te glijden.

De eerste IJslander met wie ik ooit te maken kreeg, was de grote skald Snorri Sturluson (1179-1241), wiens naam een glimlach ontlokt aan alle literatuurstudenten ter wereld. Snorri, auteur van de Proza-Edda over de Noorse mythologie, was bij leven ook wetspreker in de Althing, het IJslandse parlement, waar je hier zomaar naartoe kunt. Thingvellir, nationaal park en sinds 2004 op de Unesco Werelderfgoedlijst, is een betekenisvolle plek. In de wijde slenk, ontstaan door de continentale drift, sta je als het ware met één been in het Noord-Amerikaanse en met het andere been in het Europese werelddeel. Klinkt dramatisch, maar de aanblik van de intens groene vlakte, dooraderd met kabbelende beekjes is vooral lieflijk, zeker onder een milde zon.
Verborgen volk
Thingvallavatn, het aangrenzende grootste natuurlijke meer van IJsland, is dan weer de favoriete speeltuin van allerlei watervogels. En er is de ‘vergaderzaal’, een lavaveld beschut door twee hoge, evenwijdige rotspartijen, waar vanaf de tiende eeuw een paar weken per jaar tenten en stalletjes verschenen. Clanleiders ontmoetten er elkaar om recht te spreken, over wetten te stemmen en te drinken. Zo ontstond de Althing, het oudste parlement ter wereld, waar de IJslanders bijzonder trots op zijn. Zelfs de nuchterste mens raakt hier onder de indruk van de helderheid en het pure van het IJslandse landschap: wijde valleien omzoomd door gekartelde rotsen, tegen een achtergrond van met sneeuw bestoven bergtoppen.
Watervallen iemand? De Gullfoss, 32 meter hoog, stort zich met een indrukwekkend debiet in een steile canyon. In de nevelen tekent zich een regenboog af. Zoveel ruimte, zoveel knisperende, zuivere lucht, het zet aan tot mijmeren over Tijd en Leven. Je zou voor minder in trollen en elfen gaan geloven, zoals volgens serieuze statistieken twee derde van de IJslanders doet.
Nu is het niet moeilijk om in een land waar het ondergronds voortdurend rommelt het bestaan van een huldufólk (verborgen volk) voor mogelijk te houden. Het plaatsje Geysir gaf zijn naam aan de springbronnen die synoniem zijn met IJsland. Sinds een aardbeving in 2000 is Stóri-Geysir (Grote Geiser) opnieuw actief en spuit met onregelmatige tussenpozen tot 20 meter hoog water en damp in het zwerk. Strokkur is stipter en jaagt om de tien minuten een waterzuil omhoog, tot 30 meter als hij echt op dreef is. Tussen beide in pruttelen en boeren allerlei modderpoelen en warmwaterbronnen, compleet met een penetrant zwavelgeurtje.

Ulrik Arthurson, halftijds gids/skimonitor en voltijd krasse knar, was erbij toen in 2010 de Eyafjallajókull uitbarstte. “Dagenlang leefden we in duisternis door de asregen. Een beeld dat mij altijd zal bijblijven, zijn de paarden die in paniek door de vlakten renden, bedekt met een dikke laag roet. Gelukkig houden seismologen de fratsen van de vulkanen nauwlettend in het oog. Een eruptie komt nooit onverwacht.”
Walvisalarm
In een land dat tegen de Poolcirkel aanschurkt, is een excursie tussen de ijsbergen een must. Hét toverwoord op een Arctische boottocht is ‘walvis’. Meldt de brug dat er aan bakboord een bultrug op een dwergvinvis zwemt, dan reppen alle passagiers zich naar die kant, camera in de aanslag. Helaas zijn die zeezoogdieren niet geneigd om Moby Dick-gewijs naast het schip op te springen. Hoogstens vang je een glimp op van een rugvin of driehoekige staart, of zie je nog net een fontein van waterdamp. Je kunt ze ook niet lokken door een emmertje krill in zee te werpen. Dolfijnen zijn minder schuw, soms buitelen ze een heel eind naast het schip voort. Voorts kunnen natuurliefhebbers hun hart ook ophalen aan de vele vogels die op de noordwestelijke kusten nestelen. Iedereen is dol op de schuwe papegaaiduiker die met zijn kleurige bek op een verloren gevlogen Beo lijkt. Maar de grootste attracties zijn natuurlijk de fabelachtige ijsreuzen.

Hier dobbert een uit de kluiten gewassen meringue voorbij, wat verder een replica van de Basiliek van Koekelberg. Qua kleur variëren ze van maagdelijk wit tot surrealistisch turkoois, alsof iemand er een vat Blauwe Curaçao over uitgoot. Rechts gaat de zon onder als een bloedappelsien in een oranje en violetroze wolkenlaag, links staat de volle maan boven de immense ijsmassa. Het is bitter koud, ver weg is er het doffe gekraak van afbrekend ijs. De gevolgen van de klimaatopwarming zijn hier overduidelijk. En dan duiken ineens twee bultruggen op, alsof ze een soepel nummertje synchroonzwemmen opvoeren. Middernachtelijke walvissen bij volle maan in een witte wereld. Qua magisch moment kan er weinig aan tippen.








