De Basarhallene lijkt me de perfecte plaats om een luie dag te beginnen. Zoals de naam al doet vermoeden, is dit de markthal van Oslo, een plaats vol kitscherige winkeltjes. Toch blijkt het niet wat ik ervan verwachte. Op de namen na, waan je je bijna in België. De Bazaarhallen zijn zeker gezellig en de gekste prullaria liggen er voor het grijpen, maar het is allemaal heel modern en Westers. Stiekem verlang ik naar de vrolijk tumultueuze, overdekte marktjes van Oost- en Zuid-Europa. Ik druip af en besluit mijn geluk te beproeven in de haven.
Het bekende deel van de haven van Oslo oogt heel pittoresk. Achter de masten van grote boten lopen hele rijen gekleurde, houten huisjes in elkaar over. Langs de andere kant torent het oude fort van de stad boven het water uit. Boten van allerlei groottes en makelij varen af en aan om mensen naar de eilandjes voor de “kust” van Oslo te brengen. Ik bekijk de bedrijvigheid vanaf het grote plein, maar de vlakke zon en de aantrek van het mysterieuze bastion zijn te sterk: op naar Akerhus Fort!
Al snel blijkt dat dit gemakkelijker gezegd dan gedaan is. Meer dan een half uur loop ik langs muren en eeuwenoude, gesloten poorten. Het begint me te dagen dat dit vroeger een uiterst goed beschermde vesting was, en dat is het vandaag nog steeds. Ik stoot onbedoeld op een hedendaagse kazerne, die blijkbaar een deel van de oude muren en gebouwen gebruikt, omdat die nu eenmaal ondoordringbaar zijn. Een wachter toont me op vriendelijke, maar kordate manier hoe ik binnen in het fort kom en vijf minuutjes later sta ik er dan eindelijk: Akerhus kasteel. Kasteel ja, niet het fort. Het kasteel en fort van het middeleeuwse Oslo waren namelijk in elkaar vervlochten, merk ik nu. Een uurtje of twee over het enorme domein dwalen, langs muren klimmen, trappen afdalen, heuvels oplopen en door torens uitkijken over het omringende landschap, bevestigt nog eens mijn observatie. Intussen beginnen er nieuwe vermoedens in me op te borrelen… Overal stoot ik op kanonnen, wat niet zo vreemd is voor een fort, ware het niet dat deze kanonnen netjes afgedekt worden voor de regenbui die plots de kop op steekt. Ik zie opvallend veel bewakers in wachthuisjes en verspreid langs het domein, niet met elegante (sier)sabels, zoals het cliché wil, maar met moderne automatische geweren. Ik vraag me af hoe militair ingesteld Noorwegen anno 2011 is. Mijn gedachten worden onderbroken door een groep (troep?) gillende, Japanse kleutertjes met rode hoedjes, die in allerijl bij me onder de poort komen staan schuilen voor de halve moesson die intussen op ons neervalt. Het kabaal van het klasje jaagt me recht de dichtstbijzijnde deur in, het kasteel binnen.
Het oude gebouw en het fort bieden een schat aan informatie, meubels, kleurenpracht en ontzagwekkende bouwkunde, maar het meest spectaculaire is toch het uitzicht. Of het nu door schietgaten is, of door kamerhoge, rijkelijk versierde glasramen, één blik op het fjord is zo overweldigend dat ik meteen alle moderne luxe zou opgeven om tussen deze stenen te wonen.
Terug op het plein plof ik, nog steeds onder de indruk, neer bij een groepje vrienden en een straatartiest. Zoals in de meeste landen buiten West-Europa, zijn straatoptredens hier echt de moeite. Jongleurs, zwaardenslikkers, vuurspuwers, uitzonderlijke dansvoorstellingen en muzikanten met de vreemdste instrumenten zijn schering en inslag in Noorwegen. Als een volleerde showman, brengt de artiest het publiek in vervoering met onder andere een recordpoging ontsnappen uit een dwangbuis.
Terwijl schaduwen van wolken over de haven het Oslofjord inglijden en de meeuwen nieuwsgierig toekijken, nestel ik me iets dieper in de armen van mijn Viking. Nadat er voor onze ogen een nieuw wereldrecord gevestigd is, zakken we af naar de coolste bar in Oslo, Elm Street, om te drinken waar Guns n’ Roses, U2, Alice Cooper en vele anderen ooit gedronken hebben. Skol!











